Bij het maken van een financieel plan kunnen oud regime lijfrentepolissen als inkomensplannings-instrument een belangrijke rol spelen.

Wanneer is er sprake van een oud regime lijfrente polis?

In principe is op lijfrentepolissen die afgesloten zijn vóór de zogenaamde 'Brede Herwaardering' die per
1 januari 1992 is ingevoerd, de 'oude' fiscale wetgeving, zoals die gold tot 1 januari 1992, van toepassing. Deze verzekeringen vallen dan ook onder het 'oude regime'. Onderscheid dient gemaakt te worden tussen premiebetalende verzekeringen en verzekeringen die afgesloten zijn tegen betaling van een koopsom. In het geval van premiebetalende verzekeringen – waarbij de premiebetaling gecontinueerd wordt na 1 januari 1992 – dient de polis afgesloten te zijn vóór 16 oktober 1990 om onder het oude regime te vallen. In geval van koopsomverzekeringen (of premiebetalende verzekeringen waarbij er geen premiebetaling meer plaatsvindt na 1 januari 1992) dient de polis afgesloten te zijn vóór 1 januari 1992.

Invloed van de Wet inkomstenbelasting 2001 (IB 2001)

Het overgangsrecht bij de Wet IB 2001 bepaalt dat de regels die op 31 december 2000 golden ten aanzien van rechten op periodieke uitkeringen, daarop van kracht blijven voorzover het recht tot stand is gekomen op grond van premies die zijn betaald vóór 1 januari 2001. Het kapitaal dat is opgebouwd met de premies die zijn betaald tot de eerste premievervaldag in 2001 wordt dus als het ware gereserveerd. Dit kapitaal zal te zijner tijd worden aangewend voor de aankoop van een lijfrente. Als is voldaan aan de regels voor behoud van het oude regime, zal de aan te kopen lijfrenteverzekering op grond van het overgangsrecht IB 2001 nog onder de oude regelgeving van vóór de Brede Herwaardering (het oude regime) vallen.

Behoud van het oude regime

Behoud van het oude regime is in de regel gewenst omdat de wetgeving van vóór de Brede Herwaardering in de meeste gevallen gunstiger is. Lijfrenten die onder deze oude wetgeving vallen kennen met name in de uitkeringsfase een veel grotere flexibiliteit dan verzekeringen die vallen onder de regelgeving zoals die sinds 1992 is voorgeschreven. Zo is men niet gebonden aan een beperkt aantal voorgeschreven lijfrentevormen en bestaan er geen beperkingen ten aanzien van de begunstiging. Teneinde het oud regime van toepassing te laten blijven op een oud regime lijfrentepolis is het van belang dat de jaarlijks verschuldigde premie niet verhoogd wordt. Ook mag de totale premie (periodieke premie vermenigvuldigd met de duur van de verzekering) niet verhoogd worden. Een verhoging van de premie die voortvloeit uit een op de verzekering geplaatste 'normale en gebruikelijke' optie- of verhogingsclausule zal echter niet tot verlies van het oude regime leiden. Wat 'normaal' of 'gebruikelijk' is, is in de Brede Herwaardering niet nader ingevuld, maar er is wel aangegeven dat alle clausules, mits op 15 oktober 1990 deel uitmakend van het lijfrentecontract, zullen worden gerespecteerd.

Toepassingsmogelijkheden oud regime lijfrentepolis binnen een financieel plan

Een uitgangspunt kan zijn dat een oud regime lijfrenteverzekering in het verleden afgesloten is om te voorzien in een aanvulling op het pensioeninkomen dat vanaf pensioendatum genoten wordt. Het kapitaal dat op de expiratiedatum uit de oud regime lijfrenteverzekering tot uitkering komt (aangevuld met de winstbijschrijvingen) wordt dan gebruikt om op pensioendatum een direct ingaande levenslange lijfrente aan te kopen. Gesteld dat de persoon in kwestie gehuwd is, dan ligt het voor de hand een lijfrente op het leven van de betrokkene en zijn echtgenote aan te kopen. Daarbij kan in principe het overgangspercentage dat van toepassing is bij vóóroverlijden van een van de twee verzekerden zelf bepaald worden. Als het niet gewenst is om lijfrentetermijnen levenslang uitgekeerd te krijgen, kan naar eigen believen voor een kortere duur gekozen worden.

De enige beperking die de relatie door de fiscus opgelegd krijgt wat betreft de minimale duur van de lijfrentetermijnen, is het feit dat er sprake dient zijn van een sterftekans van tenminste 1% binnen het contract.

Knipconstructie

Niet alleen staat het de relatie vrij te kiezen voor een tijdelijke rente, er kan ook worden besloten om een deel van het expirerende kapitaal aan te wenden voor een direct ingaande tijdelijke lijfrente en een deel aan te wenden als koopsom voor een 'nieuwe' oud regime lijfrenteverzekering. Op een gewenste datum in de toekomst wordt dan -wellicht tegen een op dat moment hogere rekenrente- alsnog een lijfrente aangekocht. Op deze wijze wordt een zogenaamde 'knip-constructie' gecreëerd die de relatie, met het oog op de geldende rentestand, wellicht aantrekkelijke perspectieven kan bieden. Indien er in de (nabije) toekomst sprake is van een hogere rekenrente zou op die manier immers toch nog een acceptabel rendement gemaakt kunnen worden. De 'nieuwe' oud regime lijfrenteverzekering zou ook op beleggingsbasis kunnen worden gesloten. Op die manier wordt optimaal gebruik gemaakt van de flexibiliteit van een oud regime lijfrente als inkomensplanningsinstrument.

Ook als op de expiratiedatum het gehele bedrag 'doorgeschoven' wordt naar de toekomst zonder dat er nog sprake is van premiebetaling; de zogenaamde 'premievrije duurverlenging', blijft op de verzekering het oude regime van toepassing.

Afkopen

Het tegenovergestelde van het bedingen van een levenslange lijfrente lijkt wel haast de afkoop van de polis op de expiratiedatum. Dit wil zeggen dat de verzekeringnemer niet besluit over te gaan tot aankoop van een direct ingaande (of uitgestelde) lijfrente, maar het expirerende kapitaal door de maatschappij rechtstreeks op zijn of haar rekening laat storten. De door de verzekeringnemer ontvangen afkoopwaarde wordt in Box I belast tegen het progressieve tarief.

Afkoop van een polis van levensverzekering vóór de oorspronkelijke einddatum betekent over het algemeen dat er toekomstig rendement wordt ingeleverd. Het is dan beter om de lijfrenteclausule eraf te halen. Fiscaal gezien is dit afkoop. Omdat de verzekering echter doorloopt, leidt dit niet tot het nadeel van rendementsverlies.

Wijziging van de begunstiging

Indien een direct ingaande lijfrente is aangekocht, zal in veel gevallen de verzekeringnemer de eerste begunstigde zijn. Het is echter mogelijk een ander aan te wijzen als begunstigde voor de lijfrentetermijnen. De inkomstenbelastingheffing over de door de begunstigde ontvangen termijnen zal in principe plaatsvinden bij de begunstigde.

Wijziging van de begunstiging ten behoeve van de echtgenote

Een uitzondering op deze regel is de verkrijging door de echtgeno(o)t(e) die de premies niet in aftrek van het inkomen heeft gebracht. In dat geval zal volgens de regels van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (IB 64) moeten worden berekend wie het hoogste persoonlijke inkomen geniet. Vervolgens zullen de termijnen bij die persoon worden belast. In de regel is dat dan ook degene die de premies in aftrek van het inkomen heeft gebracht.

BelastbaarheidRegime

Wijziging van de begunstiging ten behoeve van minderjarige kinderen

Bij de verkrijging door minderjarige kinderen zullen de termijnen worden belast bij de ouder die het gezag over het kind uitoefent. Oefenen beide ouders het gezag uit, dan vindt belastingheffing plaats bij degene die volgens IB 64 het hoogst persoonlijk inkomen geniet.

Wijziging van de begunstiging ten behoeve van de (niet geregistreerde) samenwonende partner

Indien de samenwonende partner als begunstigde is aangewezen, worden de termijnen wel bij hem of haar belast. In het kader van een progressievriendelijke verdeling van inkomen tussen twee partners, kan een gezamenlijke begunstiging voor de termijnen een fiscaal aantrekkelijke optie zijn. Voor geregistreerde samenwonende partners gelden de wettelijke bepalingen die van toepassing zijn op echtgenoten.

Schenkingsrecht

Degene die als begunstigde voor de lijfrentetermijnen wordt aangewezen is inkomstenbelasting verschuldigd over iedere ontvangen termijn. Op grond van de zogenaamde 'anticumulatiebepaling' in de Successiewet 1956 hoeft over deze termijnen waarover de begunstigde reeds inkomstenbelasting is verschuldigd, geen schenkingsrecht te worden betaald indien er sprake is van een herroepelijke begunstiging. De anticumulatiebepaling is niet van toepassing als er sprake is van een onherroepelijke begunstiging. Op het moment van de aanvaarding van de begunstiging is schenkingsrecht verschuldigd over de waarde van de polis op het moment van aanvaarding, verminderd met een inkomstenbelastinglatentie van 30%. Deze anticumulatiebepaling is eveneens niet van toepassing als een minderjarig kind of de echtgeno(o)t(e) met het laagste persoonlijke inkomen als begunstigde wordt aangewezen. Zij zijn immers niet degene die inkomstenbelasting moeten betalen over de ontvangen termijnen.

Overdracht aan begunstigde in het buitenland

Onder de IB 64 maakten de uitkeringen uit een oud regime lijfrenteverzekering nog geen onderdeel uit van de limitatieve opsomming van binnenlandse inkomensbestanddelen waarvoor een buitenlands belastingplichtige in Nederland belast kon worden. Onder de IB 2001 is dat wél het geval. Deze wijziging in de IB 2001 heeft ingrijpende gevolgen voor een verzekeringnemer van een oud regime lijfrenteverzekering die de lijfrentetermijnen naar een begunstigde (bijvoorbeeld een zoon of dochter) in het buitenland wil laten toekomen. Onder de IB 64 was de in Nederland woonachtige verzekeringnemer van de oud regimelijfrenteverzekering aan belastingheffing in Nederland onderworpen indien de lijfrentetermijnen werden uitgekeerd aan een begunstigde in het buitenland. Onder de IB 2001 is dat niet meer het geval. Daarentegen kan de begunstigde in het buitenland in beginsel nu wel in de Nederlandse belastingheffing worden betrokken, omdat de lijfrentetermijnen voortaan tot zijn of haar belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland worden gerekend. Nederland zal echter niet tot belastingheffing overgaan, als de belastingheffing over de lijfrentetermijnen ingevolge een belastingverdrag met het woonland van de zoon of dochter aan dat woonland is toegewezen. De anticumulatieregeling uit de Successiewet vindt in deze situatie hoe dan ook geen toepassing, zodat over de geschonken termijnen tevens schenkingsrecht verschuldigd zal zijn.

Schenking van het kapitaal

Een alternatief voor het schenken van lijfrentetermijnen is het wegschenken van het kapitaal uit de lijfrentepolis, bijvoorbeeld aan de kinderen. Voordat de polis expireert wijzigt de verzekeringnemer de begunstiging van de lijfrentepolis en wijst ieder kind voor een gelijk gedeelte van het kapitaal als begunstigde aan. Elk van de kinderen verkrijgt een kapitaal, dat hij of zij ingevolge de fiscale lijfrenteclausule op de expiratiedatum dient aan te wenden als koopsom voor een lijfrente. Indien zij ten behoeve van zichzelf een lijfrente aankopen, zal elke lijfrentetermijn voor de bepaling van de inkomstenbelasting tot hun Box I inkomen gerekend worden. Brengen zij de fiscale lijfrenteclausule niet tot uitvoer, maar kiezen zij ervoor om toegewezen kapitaal ineens uit te laten keren, dan zal het tot uitkering komende bedrag ineens tot hun belastbaar inkomen in Box I worden gerekend. Terzake van het ter beschikking komen van het kapitaal aan een kind zal een schenking geconstateerd worden van ouder naar kind. De heffing van schenkingsrecht zal in beginsel plaatsvinden over het geschonken kapitaal. Omdat hier een toekomstige belastingclaim op rust (latente inkomstenbelasting), mag dit kapitaal worden verminderd met 30%.

Top