Verlaging tweede en derde belastingschijf en verlenging derde belastingschijf
De lasten op arbeid worden verlaagd. Zoals eerder al was aangekondigd, gaan de tarieven in de tweede en derde belastingschijf omlaag. Beide schijven zullen worden verlaagd van 42% in 2015 naar 40,15% in 2016. Daarnaast wordt de derde belastingschijf verlengd. Hierdoor vallen belastingplichtigen minder snel in de vierde schijf. In 2015 ligt de ondergrens van de vierde schijf op € 57.585,-. Deze grens wordt met € 8.548,- verhoogd naar € 66.421,-. Daarnaast wordt de eerste schijf met 0,05% verhoogd. In onderstaande tabel zijn de tarieven voor 2016 voor belastingplichtigen die de De leeftijd waarop iemand recht heeft op een AOW-uitkering. De AOW-leeftijd wordt vanaf 2016 in stappen van 3 maanden verhoogd en vanaf 2019 in stappen van 4 maanden. Vanaf 2022 wordt de AOW-leeftijd gekoppeld aan de levensverwachting.AOW-leeftijd nog niet hebben bereikt opgenomen:

tabelverlaging1

 

Wijzigingen in box 3
Een belangrijke maatregel die met Prinsjesdag is aangekondigd, ziet op de wijzigingen in box 3. Het heffingsvrij vermogen zal in 2017 worden verhoogd naar € 25.000,- per persoon (€ 21.330,- in 2015). Voor fiscaal partners zal het heffingsvrije vermogen € 50.000,- bedragen. Dit zorgt ervoor dat het aantal belastingplichtigen dat vermogensrendementsheffing verschuldigd is daalt met 240.000.

Op dit moment gaat de Belastingdienst uit van een vast forfaitair rendement van 4% over de grondslag sparen en beleggen. Over dit percentage, het voordeel uit sparen en beleggen, betaal je 30% belasting. Dit komt neer op 1,2% belasting over de grondslag sparen en beleggen. De Belastingdienst kijkt dus niet naar welk rendement er werkelijk op het vermogen is ontvangen. In het Belastingplan 2016 is opgenomen dat het forfaitaire rendement afhankelijk wordt van de hoogte van de grondslag in box 3. Het vermogen van belastingplichtigen wordt verdeeld in drie schijven: € 0,- tot € 100.000,-, € 100.000,- tot € 1.000.000,- en € 1.000.000,- en hoger. Voor de eerste schijf zal het forfaitaire rendement worden verlaagd naar 2,9%. Voor vermogen in de tweede schijf zal het dit worden verhoogd naar 4,7% en voor vermogens in de derde schijf naar 5,5%.

tabelvermogens

Wijzigingen autobelastingen
Ook op het gebied van de autobelastingen zijn verschillende maatregelen getroffen. Hieronder zijn de belangrijkste maatregelen opgesomd:

  • Het algemene bijtellingspercentage wordt verlaagd van 25% naar 22%;
  • Het aantal bijtellingscategorieën wordt verlaagd van vier naar twee;
  • De tarieven voor de belasting van personenauto’s en motorrijwielen gaan tot 2020 geleidelijk omlaag met gemiddeld 12%;
  • Het vaste bedrag per verkochte auto dat niet aan de CO2-uitstoot gekoppeld is, gaat omhoog;
  • De motorrijtuigenbelasting voor reguliere personenvoertuigen gaat per 2017 gemiddeld met 2% omlaag en stijgt voor de meest vervuilende dieselauto’s per 2019;
  • Vanaf 2016 zijn alleen elektrische auto’s volledig vrijgesteld van de motorrijtuigenbelasting. Voor semi-elektrische auto’s geldt een halve vrijstelling.

Verhoging van de Een onderdeel van de standaardheffingskorting. Een korting voor de belastingplichtige die met tegenwoordige arbeid, Het gezamenlijke bedrag van de winst die de belastingplichtige als ondernemer geniet uit een of meer ondernemingen, verminderd met de ondernemersaftrek en de MKB winstvrijstelling. Artikel 3.2 Wet IB 2001. Op grond van artikel 3.3 Wet IB 2001 is dit mede de winst die de belastingplichtige als medegerechtigde tot het vermogen van een onderneming geniet.winst uit onderneming, loon of resultaat uit een werkzaamheid geniet. De hoogte van de arbeidskorting bedraagt een percentage van de arbeidskortingsgrondslag. Artikel 8.11 Wet IB 2001.arbeidskorting
In 2016 wordt het maximumbedrag van de arbeidskorting, nadat dit bedrag is geïndexeerd, extra verhoogd met € 638,-. Vanaf een bepaald inkomen wordt de arbeidskorting afgebouwd. Het startpunt van de afbouw wordt, nadat dit startpunt is geïndexeerd, verlaagd met € 15.950,-. Belastingplichtigen met een inkomen tussen circa € 9.000,- en circa € 50.000,- profiteren van een hogere arbeidskorting van maximaal € 638,-. Voor andere inkomens heeft de extra verhoging geen effect, maar zij profiteren wel van een verhoging van de arbeidskorting die reeds in het Belastingplan 2014 is aangekondigd. In de onderstaande tabel wordt de hoogte van de arbeidskorting bij een bepaald inkomen weergegeven:

tabelInkomen

Meer geld vrij voor de inkomensafhankelijke combinatiekorting
Wie voldoet aan bepaalde voorwaarden, kan recht hebben op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. In 2015 is het maximale bedrag € 2.152,-. Dit maximum wordt bereikt bij een arbeidsinkomen van € 32.832,-.

In 2016 wordt het opbouwpercentage verhoogd met 2,159%-punt naar 6,159%. Het maximumbedrag van de inkomensafhankelijke combinatiekorting wordt, nadat dit bedrag is geïndexeerd, verhoogd met € 606,-. Vanaf een arbeidsinkomen van € 4.881,- bedraagt de inkomensafhankelijke combinatiekorting dan € 1.039,-. Dit bedrag wordt verhoogd met 6,159% van het arbeidsinkomen boven € 4.881,- tot de maximale korting van € 2.769,- wordt bereikt. Dit maximum wordt bereikt bij een arbeidsinkomen van € 32.970,-.

Verhoging van de ouderenkorting
De ouderenkorting is een heffingskorting voor mensen die op het eind van het kalenderjaar de AOW-leeftijd hebben bereikt. In het Belastingplan 2015 is opgenomen dat de ouderenkorting in 2016 zou worden verlaagd met € 83,-. Om de koopkracht van gepensioneerden in 2016 te ‘repareren’ wordt de ouderenkorting eenmalig verhoogd met € 222,- (tot een inkomen van circa € 35.000,-). Met de verlaging in het Belastingplan 2015 in aanmerking genomen, bedraagt de totale verhoging van de ouderenkorting in 2016 € 139,-. De ouderenkorting bedraagt daardoor € 1.187 (tegenover € 1.042,- in 2015).

Steilere en volledige afbouw Een onderdeel van de standaardheffingskorting. In beginsel heeft iedere belastingplichtige recht op deze korting. De algemene heffingskorting bedraagt in 2015 maximaal € 2.203,-. Vanaf een inkomen in de tweede schijf wordt deze afgebouwd met 2% van het inkomen in de tweede en derde schijf.algemene heffingskorting
Het afbouwpercentage in de algemene heffingskorting wordt per 1 januari 2016 verhoogd met 2,476%. In 2016 komt het afbouwpercentage daarmee op 4,796%. In het Belastingplan 2015 was opgenomen dat het afbouwpercentage in de algemene heffingskorting in 2016 zou worden verhoogd met 1%-punt. Deze verhoging van het afbouwpercentage zou leiden tot een minimale algemene heffingskorting van € 991,-. Als gevolg van de steilere afbouw wordt de algemene heffingskorting al in 2016 volledig afgebouwd. Het afbouwtraject loopt in 2016 van circa € 20.000,- tot circa € 66.000,-.

Belasting op bronwater en sappen omhoog
In lijn met de vorige week uitgelekte stukken gaat de belasting op frisdrank met € 30 miljoen omhoog. De huidige twee tarieven (€ 5,70 per 100 liter voor vruchtensap, groentesap en mineraalwater en € 7,59 per 100 liter voor limonade) worden vervangen door één tarief. Dit tarief zal € 7,91 per 100 liter worden.

header1

Toeslagen
Op Prinsjesdag is het een en ander aangekondigd op het gebied van de verschillende toeslagen. Zo wordt vanaf 2016 het kindgebonden budget verhoogd voor derde en volgende kinderen. Ook wordt het kindgebonden budget voor het tweede kind volgend jaar eenmalig verhoogd.

De voorgenomen bezuinigingen op de huurtoeslag zullen worden uitgesteld. Het kabinet wenst een zogenaamd ‘Interdepartementaal beleidsonderzoek’ te laten uitvoeren inzake de sociale huur. Interdepartementale beleidsonderzoeken (IBO’s) ontwikkelen alternatieven voor bestaand beleid. Directe aanleiding van het IBO is de zorg over de budgettaire houdbaarheid van de huurtoeslag. Pas na afronding van het IBO in 2016 zal het kabinet een beslissing nemen over eventuele bezuinigingen op de huurtoeslag.

Bij de presentatie van de vorige Miljoenennota had het kabinet de zorgtoeslag voor de laagste inkomens verhoogd. Hogere inkomens ontvangen in 2015 juist minder zorgtoeslag. Voor 2016 heeft het kabinet deze maatregel nog een keer verlengd. De laagste inkomens krijgen hierdoor volgend jaar maandelijks € 6,- meer aan zorgtoeslag.

Invoering De kostendelersnorm houdt in dat de Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO-aanvulling), AOW of nabestaandenuitkering Algemene nabestaandenwetAnw lager wordt als er meer personen van 21 jaar of ouder op één adres wonen. De relatie tussen de kostendelers doet er niet toe.kostendelersnorm AOW uitgesteld
De kostendelersnorm in de AOW wordt uitgesteld tot 1 januari 2018. Deze norm houdt, kortgezegd, in dat een AOW-gerechtigde gekort wordt op zijn uitkering, indien deze samenwoont met één of meerdere personen van 21 jaar of ouder. De kostendelersnorm was al eerder uitgesteld tot 1 juli 2016.

Verhoging ouderenkorting
Om de koopkracht van gepensioneerden in 2016 te repareren, wordt de ouderenkorting eenmalig met € 222,- verhoogd (tot een inkomen van circa € 35.000,-). In het Belastingplan 2015 werd nog een verlaging voorzien van € 83,-, waarmee de verhoging in 2016, inclusief indexatie, in totaal uitkomt op € 139,-. In 2016 bedraagt de ouderenkorting daarmee € 1.187,- (ten opzichte van € 1.042,- in 2015).

Kwaliteit van leven in instellingen
De kwaliteit van leven voor mensen in verpleeghuizen wordt verhoogd. In totaal wordt hier structureel € 210 miljoen voor vrijgemaakt. Patiënten in een verpleeghuis krijgen € 1.000,- per jaar voor dagbesteding. Hiermee kan de patiënt per vijf dagen één uur aandacht van een begeleider inkopen.

Compensatieregeling Een persoonsgebonden budget (pgb) is een bedrag waarmee men zelf zorg kan regelen. Er zijn 2 soorten pgb’s in Nederland: Het pgb-AWBZ is voor persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding of kortdurend verblijf. Het pgb-Wmo is voor wie hulp nodig heeft om thuis te kunnen blijven wonen. pgb
Dit jaar wordt er € 2 miljoen beschikbaar gesteld voor mensen die getroffen zijn door de problemen bij de uitbetaling van het persoonsgebonden budget (pgb). Volgend jaar zal er nog eens € 18 miljoen in een compensatieregeling worden gestoken. Daarnaast komt er extra geld om de problemen bij de Sociale Verzekeringsbank, die de pgb’s uitbetaalt, op te lossen. Dit jaar wordt er € 7 miljoen extra beschikbaar gesteld, volgend jaar nog eens € 15 miljoen.

Zorgverzekering
Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport verwacht dat de premie voor de zorgverzekering in 2016 met € 7,- per maand wordt verhoogd. Het zijn echter de zorgverzekeraars die de premie uiteindelijk definitief vaststellen. Het vaststellen van de premie voor 2016 gebeurt eind november 2015. Het eigen risico zal in 2016 met € 10,- stijgen naar € 385,-.

header2

Verruiming schenkingsvrijstelling eigen woning
De eenmalig verhoogde vrijstelling in de Deze belasting wordt geheven over de waarde van al wat krachtens Een overeenkomst om niet, die er toe strekt dat de ene partij, de schenker, ten koste van eigen vermogen de andere partij, de begiftigde, verrijkt.schenking wordt verkregen van iemand die ten tijde van de schenking in Nederland woonde. Artikel 1 Successiewet.schenkbelasting voor schenkingen van ouders aan kinderen tussen 18 en 40 jaar voor schenkingen die verband houden met de eigen woning wordt verruimd.

In de Successiewet 1956 is een eenmalig verhoogde vrijstelling van € 53.016,- (bedrag 2016) opgenomen voor schenkingen van ouders aan kinderen tussen 18 en 40 jaar, mits de schenking verband houdt met de aankoop of kwaliteitsverbetering van de eigen woning, de afkoop van rechten van Erfpacht is een zakelijk recht dat de erfpachter de bevoegdheid geeft eens anders onroerende zaak te houden en te gebruiken (art. 5:85 lid 1 BW)erfpacht, opstal of beklemming met betrekking tot die woning, dan wel voor de aflossing van de De eigenwoningschuld is het deel van de hypotheek of lening waarover de rente mag worden afgetrokken. Dit is alleen een lening die betrekking heeft op de eigen woning.eigenwoningschuld of een restschuld van de vervreemde eigen woning van het kind. Vanaf 2017 geldt een structurele verruiming van de vrijstelling van € 53.016,- tot € 100.000,-.

Voorts vervalt de beperking dat de schenking moet zijn gedaan van een ouder aan een kind, waardoor er ook buiten de gezinssituatie gebruik kan worden gemaakt van de vrijstelling. Om de schenking belastingvrij te kunnen ontvangen, moet de verkrijger tussen 18 en 40 jaar oud zijn. Dit betekent dat vanaf 1 januari 2017 iedereen tussen 18 en 40 jaar van een familielid of van een derde eenmalig een schenking van maximaal € 100.000,- vrij van schenkbelasting mag ontvangen, mits deze wordt gebruikt voor aanschaf of kwaliteitsverbetering van de eigen woning.

De verhoogde schenkingsvrijstellingen zijn eenmalige vrijstellingen. De hoofdregel is dat de verkrijger per schenker eenmaal in zijn leven van één van de regelingen gebruik kan maken. In 2013 en 2014 is eenieder in de gelegenheid gesteld om eerdere schenkingen voor de eigen woning aan te vullen tot de voor die jaren geldende verhoogde vrijstelling van € 100 000,-. Op grond van het thans voorgestelde overgangsrecht gaat een vergelijkbare regeling ook gelden voor diegenen die in de kalenderjaren 2015 en 2016 gebruikmaken van de voor die jaren geldende verhoogde schenkingsvrijstelling voor de eigen woning van € 53.016,- (bedrag 2016). Zij kunnen in de kalenderjaren 2017 en 2018 bij een schenking voor de eigen woning nog een vrijstelling toepassen tot het bedrag waarmee de met ingang van 2017 geldende vrijstelling voor de eigen woning de thans bestaande verhoogde vrijstelling van € 53.016,- (bedrag 2016) te boven gaat. Het overgangsrecht wordt daarmee – in combinatie met de tijdelijke verhoogde vrijstelling in 2013 en 2014 – zodanig vorm gegeven, dat eenieder de mogelijkheid krijgt of heeft gehad om tot een ton vrij van schenkbelasting te schenken voor de eigen woning.

Met de structurele verruiming van de vrijstelling heeft de overheid tot doel een bijdrage te leveren aan verlaging van de eigenwoningschuld. Nederlandse huishoudens hebben een relatief hoge eigenwoningschuld.

Dubbele vrijstelling fiscale partners bij onder meer kapitaalverzekeringen
Om te kunnen profiteren van een dubbele vrijstelling bij het tot uitkering komen van een Een kapitaalverzekering die speciaal bestemd is voor het sparen voor de aflossing van de eigenwoningschuld. De KEW wordt afgesloten bij een verzekeringsmaatschappij. Aan het einde van de looptijd van de verzekering keert de verzekeringsmaatschappij een bepaald bedrag uit, waarvoor tot een bepaalde hoogte een vrijstelling geldt. Is de uitkering hoger dan de vrijstelling, dan valt het deel dat boven de vrijstelling uitgaat in box 1.KEW, Brede Herwaarderingskapitaalverzekering of deblokkering van een SEW of BEW, dienen beide belastingplichtigen gerechtigd te zijn tot de uitkering bij leven dan wel mede rekeninghouder van de SEW of mede eigenaar van de BEW te zijn. In de praktijk blijkt de benodigde dubbele begunstiging vaak niet aanwezig.

Het kabinet stelt voor dat partners bij het indienen van de aangifte een gezamenlijk verzoek doen om een dubbele vrijstelling te benutten. Vervolgens kan iedere partner voor zijn deel van de uitkering zijn persoonlijke vrijstelling benutten.

Sanctie niet nakomen aflossingseis eigenwoningschuld verzacht
Om voor renteaftrek in aanmerking te komen, geldt sinds 2013 dat de lening in maximaal 360 maandelijkse termijnen volgens een annuïtair aflossingsschema wordt afgelost. Indien er een aflossingsachterstand ontstaat, betekent het dat op enig moment de schuld verhuist naar box 3. Het verzachten van de sanctie houdt in dat die overgang niet langer permanent hoeft te zijn en renteaftrek dus kan herleven binnen de eigenwoningregeling.

header3

Vijf miljard minder lasten op arbeid
Nu de economie verbetert, wil het kabinet dat Nederlanders dit ook merken. Daarom worden de lasten op arbeid met € 5 miljard verlicht. Op deze manier wordt het voor werkgevers goedkoper om mensen aan te nemen en krijgt de Nederlandse economie meer ruimte om te groeien. De aangekondigde lastenverlaging zal, samen met de verwachte loonstijgingen, op de korte termijn bijdragen aan een stijging van de koopkracht van werkenden en daardoor bijdragen aan het herstel van de consumentenbestedingen. Daarmee zal de maatregel een extra impuls geven aan de economie en werkgelegenheid.

De lastenverlichting bestaat uit de volgende onderdelen:

  • De arbeidskorting voor inkomens tot ongeveer € 50.000,- zal geïntensiveerd worden;
  • Er wordt € 0,3 miljard uitgetrokken om de arbeidsparticipatie van werkende ouders met jonge kinderen te bevorderen;
  • Werkgevers krijgen een lage-inkomensvoordeel (hierna: LIV) om het aantrekkelijker te maken personen met lage inkomens aan te nemen. Dit gaat € 0,5 miljard kosten.

De laatste twee punten zijn uitgewerkt in verschillende maatregelen en verdienen daarom enige toelichting. Het kabinet wil de arbeidsparticipatie van ouders stimuleren door de kinderopvangtoeslag te verhogen en de periode ervan bij werkloosheid te verlengen.

Stimulatie kinderopvang

Het kabinet trekt € 60 miljoen uit om alle peuters twee dagdelen naar de kinderopvang te sturen. Die € 60 miljoen gaat volgend jaar naar de gemeenten, die vervolgens zelf mogen beslissen hoe ze de opvang gaan organiseren. Er zijn op dit moment 37.500 peuters die niet naar de opvang gaan. Het uitgangspunt is dat kinderopvang bijdraagt aan de ontwikkeling van deze kinderen. Hiermee moet afzondering worden tegengegaan en moet worden bereikt dat kinderen een gelijke startpositie op de basisschool krijgen.

Ouders die werken en hun kinderen naar de opvang brengen, kunnen recht krijgen op kinderopvangtoeslag. Deze toeslag zal in 2016 worden verhoogd. Hiervoor trekt het kabinet jaarlijks € 290 miljoen uit. Hiermee kan de kinderopvangtoeslag voor het eerste en tweede kind worden verhoogd met 5,8%. Als gevolg van deze toeslagverhoging zal ook meer werkgelegenheid in de kinderopvangsector gecreëerd worden: naar verwachting komen er zo’n 7.000 banen bij. Verder moet door deze maatregel de arbeidsparticipatie van ouders toenemen.

Lage-inkomensvoordeel (LIV)
De lagere lasten op arbeid verkleinen de wig aan beide kanten. De wig is het verschil tussen de loonkosten voor een werkgever en het netto loon dat de werknemer ontvangt. Het LIV maakt het aantrekkelijker om mensen aan te nemen, terwijl werknemers netto meer overhouden van hun brutoloon. De lastenverlichting is vooral gericht op werkenden met lage en middeninkomens, zodat het vooral voor mensen met een uitkering lonender wordt om te gaan werken. Uit onderzoek van het Centraal Plan BureauCPB blijkt verder dat jonge moeders zeer gevoelig zijn voor financiële prikkels wat betreft arbeidsparticipatie. Het kabinet hoopt met deze maatregelen te bereiken dat deze moeders meer gaan werken.

Vaderschapsverlof
Vanaf 1 januari 2015 hebben werknemers van wie de echtgenote of partner is bevallen, recht op drie dagen (onbetaald) ouderschapsverlof naast de twee dagen (betaald) vaderschapsverlof, ook wel ‘kraamverlof’ genoemd, waar ze al recht op hadden. Vanaf 2017 wordt het kraamverlof verhoogd van twee naar vijf dagen. Naar verluidt gaat dit € 75 miljoen per jaar kosten. Let wel op de voorwaarden: wanneer het kind thuis wordt geboren, moet het kraamverlof binnen vier weken na de geboorte opgenomen worden. Wordt het kind in het ziekenhuis geboren, dan moet het vaderschapsverlof binnen vier weken na thuiskomst opgenomen worden. Dit zorgt voor betrokkenheid van beide ouders in de eerste dagen na de geboorte van hun kind.

Het minimumuurloon
Volgens het kabinet past een wettelijk minimumloon niet meer in deze tijd van flexibele arbeid.  Daarom stappen we over op een minimumuurloon. Dit najaar zal het kabinet een verkennende notitie over het wettelijk minimumloon naar de Tweede Kamer sturen.

Gemeenten krijgen € 100 miljoen extra voor 'beschutte' werkplekken
De komende vijf jaar krijgen gemeenten in totaal € 100 miljoen extra, waarmee ze ‘beschutte’ werkplekken moeten realiseren voor personen die zonder deze werkplekken niet aan een baan kunnen komen. In totaal moeten er 30.000 werkplekken komen voor mensen met een beperking. Het extra geld wordt beschikbaar gesteld als compensatie voor de bezuinigingen op de sociale werkplekken.

Ook probeert het kabinet de positie van laag- en middelbaaropgeleiden te verbeteren. Zij nemen namelijk een steeds zwakkere positie op de arbeidsmarkt in, als gevolg van technologische ontwikkelingen en robotisering. Zoals uit de onderstaande figuur blijkt, blijft de loonontwikkeling van lager opgeleiden achter bij die van hoger opgeleiden.

Het Centraal Planbureau (CPB) en het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) stellen voor om de positie van deze kwetsbare groepen te verbeteren door het stimuleren van vaardigheidstrainingen en door middel van ‘job carving’: het afsplitsen van laaggeschoolde taken uit hooggeschoold werk om zo banen voor laaggeschoolden te creëren. Ook wordt een grotere rol gegeven aan werknemers- en werkgeversorganisaties om middels de Collectieve arbeidsovereenkomstcao de positie van laaggeschoolden te verbeteren.

Lonen publieke sector
De overheid heeft een loonovereenkomst gesloten voor de publieke sector, waar onder meer rijksambtenaren, politie, onderwijzers en de krijgsmacht onder vallen. Volgens het akkoord zullen de lonen in 2015 en 2016 met maximaal 5,05% stijgen, met daarbij een eenmalige uitkering van € 500,- in 2015. Met deze loonstijging moet de koopkracht verbeterd worden.

Aanscherpen gebruikelijkheidscriterium werkkostenregeling
Een van de belangrijkste beperkingen in de werkkostenregeling is de zogenoemde gebruikelijkheidstoets. Met ingang van 2016 wordt dit criterium scherper geformuleerd. Hiermee moet worden voorkomen dat grote bonussen ten onrechte in de vrije ruimte worden gestopt. De aanscherping houdt in dat de werkgever enkel nog vergoedingen en verstrekkingen aan werknemers als eindheffingsbestanddeel mag aanwijzen als het onderbrengen hiervan in de WKR gebruikelijk is.

Header4

Maatregelen op het gebied van toekomstvoorzieningen hebben de afgelopen jaren in het teken gestaan van een verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd en de verlaging van de opbouwpercentages, zowel in de tweede pijler (werknemerspensioen) als in de derde pijler (aanvullend pensioen). In de Miljoenennota geeft het kabinet zijn visie op de toekomst van het pensioenstelsel en wordt aangegeven welke ontwikkelingen we de komende periode kunnen verwachten.

Er is behoefte aan een pensioenstelsel waarin duidelijk is waar mensen op kunnen rekenen en wat de risico’s zijn. Daarnaast moet het pensioenstelsel beter aansluiten bij de wensen van de moderne samenleving en de veranderende arbeidsmarkt. Hiervoor is een grotere verandering van het pensioenstelsel noodzakelijk. Het kabinet heeft hiertoe in juli 2015 richtinggevende hoofdlijnen voor een toekomstbestendig pensioenstelsel gepresenteerd. De bevindingen van de Nationale Pensioendialoog – waarin burgers, wetenschappers, denktanks, werknemers- en werkgeversorganisaties, jongeren- en ouderenorganisaties, belangenorganisaties en pensioenuitvoerders zich hebben gebogen over de toekomst van het pensioenstelsel – alsmede een rapport van de Sociaal- Economische Raad (SER) zijn door het kabinet in de overwegingen meegenomen.

Er zijn vier hoofdlijnen van het toekomstige pensioenstelsel, die het kabinet samen met de belanghebbenden de komende tijd gaat uitwerken.

Alle werkenden moeten een toereikend pensioen kunnen opbouwen dat passend is bij hun situatie
De ontwikkelingen op de arbeidsmarkt leiden ertoe dat er een grote variatie is ontstaan in pensioenopbouw tussen enerzijds werknemers die verplicht moeten deelnemen aan een pensioenregeling en anderzijds werkenden, waaronder flexwerkers en zelfstandigen, die niet onder een pensioenregeling vallen.

De zogenaamde doorsneesystematiek moet worden afgeschaft
Binnen de doorsneesystematiek betalen alle deelnemers binnen een pensioenregeling dezelfde premie voor dezelfde opbouw (ongeacht de leeftijd). Het kabinet wil een rechtvaardiger systeem van pensioenopbouw, waarbij de lasten beter worden verdeeld over jong en oud. Ook vormt de huidige systematiek een belemmering voor de doorstroming op de snel veranderende arbeidsmarkt.

Een nieuwe pensioenovereenkomst is wenselijk
De nieuwe pensioenovereenkomst dient goede punten van de bestaande overeenkomsten te combineren. Zo’n pensioenovereenkomst zou gebaseerd moeten zijn op de opbouw van een persoonlijk pensioenvermogen (een centraal element van de huidige Een pensioenovereenkomst inzake een vastgestelde premie die uiterlijk op pensioendatum wordt omgezet in een pensioenuitkering. Artikel 1 PW. premieovereenkomst), met een zekere mate van risicodeling en een langere beleggingshorizon (een centraal element van de huidige Een pensioenovereenkomst inzake een vastgestelde pensioenuitkering. Artikel 1 PW.uitkeringsovereenkomst). Het kabinet werkt momenteel aan een wetsvoorstel voor premie- en kapitaalovereenkomsten, waarbij beleggen in de uitkeringsfase mogelijk wordt gemaakt.

Meer maatwerk en meer keuzemogelijkheden
In andere landen is al ervaring opgedaan met pensioensystemen waar meer keuzevrijheid is. Het kabinet wil graag gebruikmaken van de ervaringen van deze landen. Diverse mogelijkheden zouden dan moeten worden onderzocht. Hierbij kan worden gedacht aan automatische opbouw van pensioen met eventuele uitstapmogelijkheden (bijvoorbeeld voor zelfstandigen) of aan het afstemmen van pensioeninleg en pensioenuitkeringen op persoonlijke behoeften, zoals de financiering van de eigen woning of zorggerelateerde behoeften.

De ontwikkelingen op zowel de financiële markten als binnen de maatschappij vragen om modernisering van het pensioenstelsel. In de Miljoenennota wordt aangekondigd dat het kabinet het komend jaar aan de hand van bovenstaande uitgangspunten verder werkt aan de toekomst van het pensioenstelsel.

Header5

Samenvoeging R&D-aftrek (RDA) en afdrachtvermindering voor speur- en ontwikkelingswerk
Op dit moment bestaan er twee verschillende regelingen die innovatie bij bedrijven stimuleren: de speur- en ontwikkelingsafdrachtvermindering (hierna: S&O-afdrachtvermindering) en de Research & Developmentaftrek (hierna: R&D-aftrek). Door de S&O-afdrachtvermindering worden loonkosten van speur- en ontwikkelingswerk gefaciliteerd. De R&D-aftrek ziet juist op de niet-loonkosten en investeringen.

Nadat dit in een Kamerbrief van 7 juli 2015 al was aangekondigd, is in het Belastingplan opgenomen dat de twee fiscale regelingen met ingang van 1 januari 2016 zullen worden samengevoegd. Het doel van de samenvoeging is het verbeteren van de effectiviteit van de regelingen en het vereenvoudigen van de aanvraagprocedure. Naar verwachting zal dit zorgen voor een reductie van € 1 miljoen in de administratieve lasten voor bedrijven.

Op dit moment ontvangen bedrijven nog twee aparte beschikkingen: één waarin de S&O-loonkosten zijn opgenomen en één waarin de overige kosten met betrekking tot speur- en ontwikkelingswerk zijn opgenomen. Door de integratie van de twee regelingen zullen bedrijven nog slechts één S&O-verklaring ontvangen. Verder kan het gehele fiscale voordeel na de integratie worden verrekend via de loonheffingen. Op dit moment wordt het voordeel van de R&D-aftrek nog verrekend via de vennootschapsbelasting.

In 2016 gaat het budget voor de nieuwe regeling omhoog met € 100 miljoen. Vanaf 2017 wordt er jaarlijks € 115 miljoen toegevoegd.

Stimulering van start-ups en het midden- en kleinbedrijf
Het kabinet stelt per 2017 € 50 miljoen beschikbaar om start-ups en het midden- en kleinbedrijf te stimuleren. Hoe deze stimulans precies wordt vormgegeven, zal het komend jaar worden uitgewerkt. In de Miljoenennota wordt vermeld dat hierbij onder andere wordt getoetst op effectiviteit, uitvoerbaarheid en Europeesrechtelijke houdbaarheid.

Toekomstfonds
Om innovatie bij bedrijven te stimuleren, wordt vanaf 2018 jaarlijks € 5 miljoen toegevoegd aan het Toekomstfonds. Via dit fonds wordt extra geld beschikbaar gesteld voor innovatieve MKB’ers en voor belangrijk onderzoek voor toekomstige generaties.

Erfpachtstructuren in de overdrachtsbelasting
Om heffing overdrachtsbelasting te voorkomen, wordt bij de overdracht van beleggingsvastgoed steeds vaker gebruik gemaakt van zogenoemde ‘erfpachtlease’. Voor de overdrachtsbelasting kan namelijk, door het gebruik van de rechtsfiguur erfpachtlease, heffing worden vermeden die verschuldigd zou zijn. Immers in geval van een levering van een onroerende zaak onder voorbehoud van een erfdienstbaarheid, een Erfpacht is een zakelijk recht dat de erfpachter de bevoegdheid geeft eens anders onroerende zaak te houden en te gebruiken (art. 5:85 lid 1 BW)recht van erfpacht of een Het recht van opstal is een zakelijk recht om in, op of boven een onroerende zaak van een ander gebouwen, werken of beplantingen in eigendom te hebben of te verkrijgen (Art. 5:101 lid 1 BW).recht van opstal, mag voor de berekening van overdrachtsbelasting de gekapitaliseerde waarde van de verschuldigde canon in mindering worden gebracht op de waarde van de eigendom van de onroerende zaak. Na afloop van de voorbehouden erfdienstbaarheid, het recht van erfpacht of het recht van opstal, heeft de koper de volle eigendom van de onroerende zaak. Ter zake van de aanwas naar volle eigendom vindt dan in beginsel geen heffing van overdrachtsbelasting meer plaats.

Het kabinet stelt voor niet meer toe te staan dat de grondslag waarover in geval van verkoop met gelijktijdige vestiging van een erfdienstbaarheid, een recht van erfpacht of een recht van opstal verminderd kan worden met de gekapitaliseerde waarde van de erfpacht canon of retributie.

Header6

Koopkrachtcijfers
Vrijwel iedereen gaat er volgend jaar in koopkracht op vooruit. 84% van de huishoudens gaat erop vooruit en slechts 16% van de huishoudens gaat erop achteruit. Gemiddeld genomen gaan huishoudens er 1,4% op vooruit.

Voor werkenden is de stijging 2,6%. Mensen met een modaal inkomen (2016: € 36.000,-) of hoger ligt de groei tussen de 1% en 3%. Hoe hoger het inkomen, des te minder de koopkrachtstijging. De grootste stijging is er voor alleenstaanden met een minimumloon, zij krijgen er 5,3% bij. Alleen voor mensen met een sociaal minimum stijgt de koopkracht niet, zij blijven steken op 0%.

Een aantal weken geleden leek het er nog op dat de koopkracht voor ouderen en uitkeringsgerechtigden in 2016 zou gaan dalen. Deze daling werd door het Centraal Planbureau geraamd op 1,1% voor gepensioneerden en 0,3% voor mensen met een uitkering. De nieuwe cijfers laten zien dat de AOW’ers er licht op vooruit gaan:

  • Gehuwden met 0,4%;
  • Alleenstaanden met 0,8%;
  • Ouderen met een aanvullend pensioen met 0,1%.

Overzicht koopkrachtcijfers:

tabelKoopkracht

Begrotingscijfers
Het begrotingstekort daalt van 2,2% van het Het bruto binnenlands product is de totale waarde van alle goederen en diensten die binnen de grenzen van een land zijn geproduceerd. Dit is het belangrijkste meetmiddel voor de inkomsten van een land. bruto binnenlands product in 2015 naar 1,5% in 2016. In totaal zal er € 262,1 miljard worden uitgegeven en € 253,5 miljard aan inkomsten worden gerealiseerd. Het begrotingstekort bedraagt hierbij € 10,6 miljard (inclusief de schuld van decentrale overheden). Dat is een begrotingstekort van € 29 miljoen per dag. Het begrotingstekort was in 2015 € 15 miljard , ruim € 4 miljard meer.

De staatsschuld daalt van 67,2% van het bruto binnenlands product in 2015 naar 66,2% in 2016. De totale staatsschuld bedraagt dan € 466,4 miljard. Hiermee blijft de schuld per Nederlander gemiddeld € 27.000,-. In 2014 was de staatsschuld € 450 miljard en in 2015 was dat € 458 miljard.

Het CPB denkt dat de economie dit jaar met 2,0% groeit en volgend jaar met 2,4% zal groeien. Daarmee is het bruto binnenlands product weer terug op het niveau van voor de crisis. Er is een groei in export, investeringen, consumentenbestedingen en op de woningmarkt.

De werkloosheid daalt van 6,9% van de beroepsbevolking in 2015 naar 6,7% in 2016. Door de lastenverlichting van € 5 miljard op arbeid zullen er op langer termijn 35.000 banen bijkomen. Ook komt er € 100 miljoen voor gemeenten om banen te creëren voor de allerzwaksten onder de mensen met een arbeidsbeperking. Het CPB voorziet dit jaar een aantal werklozen van 620.000 en denkt dat het volgend jaar uitkomt op 605.000. Nederland telt momenteel 270.000 werkzoekenden die langer dan een jaar onvrijwillig werkloos zijn.

Emigratielek aanmerkelijk belanghouder wordt gedicht
Bij emigratie van een aanmerkelijk belanghouder wordt door de Belastingdienst een Een aanslag waarvan de belastingschuld wel wordt vastgesteld, maar meestal niet wordt ingevorderd. De verschuldigde inkomstenbelasting over te conserveren inkomen wordt apart berekend en in een conserverende aanslag opgenomen. Bij een door de wetgever niet gewilde gang van zaken, bijvoorbeeld de afkoop van lijfrenten en pensioenen na emigratie, wordt de conserverende aanslag alsnog ingevorderd. conserverende aanslag opgelegd. Deze aanslag wordt geheven over de waardegroei van het Een aandeelhouder heeft een aanmerkelijk belang in een vennootschap, zoals een besloten vennootschap, of een naamloze vennootschap, in de volgende gevallen: 1. hij heeft 5% of meer van het geplaatste kapitaal aan aandelen in een vennootschap, waarbij de aandelen van zijn/haar partner meetellen; 2. hij heeft een aanmerkelijk belang in de aandelen van een bepaalde soort in de vennootschap; 3. hij heeft een fictief aanmerkelijk belang 4. de aandeelhouder heeft zelf geen aanmerkelijk belang, maar een bloed- of aanverwant in de rechte lijn van hem wel.aanmerkelijk belang in de periode dat de aanmerkelijk belanghouder in Nederland woonde. Bij verkoop van de aandelen of als (nagenoeg) alle winstreserves worden uitgekeerd dient de aanslag te worden voldaan. Na tien jaar verblijf in het buitenland wordt de aanslag kwijtgescholden.

In het Belastingplan 2016 is opgenomen dat deze kwijtschelding wordt geschrapt. De conserverende aanslag blijft voortaan voor onbepaalde tijd openstaan. Daarnaast moet voortaan bij iedere winstuitkering naar rato belasting worden betaald.

Voor deze regeling is overgangsrecht opgenomen: de voorgestelde maatregel is enkel van toepassing als de belastbare feiten die leiden tot het opleggen van de conserverende aanslag zich hebben voorgedaan na de bekendmaking van het wetsvoorstel (15 september 2015, 15:15 uur). Om anticipatiegedrag te voorkomen, is besloten om daarnaast aan deze maatregel terugwerkende kracht toe te kennen tot de bekendmaking van het wetsvoorstel.

Uitzondering partnerbegrip bij stiefkinderen
In het wetsvoorstel ‘Overige fiscale maatregelen 2016’ wordt voorgesteld om  bloed- en aanverwanten in het partnerbegrip hetzelfde te behandelen. In de wet wordt opgenomen dat een aanverwant in de eerste graad van de belastingplichtige of belanghebbende op verzoek niet als partner kwalificeert, tenzij beiden bij aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 27 jaar hebben bereikt.

Uitzondering partnerbegrip bij opvangtehuizen
Indien twee personen worden gehuisvest in een opvanghuis met een kind van een van beiden, ontstaat de situatie dat zij (toeslag)partner worden. Het kabinet acht het onwenselijk de gevolgen van het kwalificeren als partners voor deze groep te laten voortbestaan. Daarom worden deze personen niet langer als partner aangemerkt.

Fiscale behandeling kinderalimentatieverplichting
Voor kinderalimentatieverplichtingen geldt sinds 1 januari 2015 dat deze niet langer zijn uitgesloten als verplichting in box 3 en dus als schuld in aanmerking zouden kunnen worden genomen. Met de invoering van de Wet hervorming kindregelingen (hierna: WHK) is aftrek van De uitgaven voor levensonderhoud van kinderen jonger dan 21 jaar die ten minste in belangrijke mate door de belastingplichtige worden onderhouden. Artikel 6.13 Wet IB 2001.uitgaven voor levensonderhoud van kinderen namelijk met ingang van die datum komen te vervallen. Bij de invoering van de WHK is verzuimd om de verplichting uit te sluiten van de schulden in box 3. Om dit te herstellen, wordt voorgesteld om met ingang van 1 januari 2017 een bepaling toe te voegen waarmee verplichtingen aan bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn worden uitgezonderd van de in box 3 in aanmerking te nemen verplichtingen.

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Er zal geïnvesteerd worden in onderwijskwaliteit. Voor het hoger onderwijs zullen er 4.000 docenten bijkomen, plus enkele honderden onderzoekers met een onderwijstaak. Hierdoor ontvangt de student meer persoonlijke aandacht, intensievere begeleiding en een betere aanloop naar de arbeidsmarkt. Dit wordt bekostigd uit het geld dat vrijkomt door de invoering van het studievoorschot voor studenten. De basisbeurs is per september 2015 vervangen door de mogelijkheid te lenen tegen sociale voorwaarden (het studievoorschot). In totaal zal er € 34 miljard uitgegeven worden aan Onderwijs.

Veiligheid en Justitie
Voor de steeds groter wordende groep asielzoekers die ons land binnenkomt, wordt de begroting aangepast. Voor de opvang van asielzoekers wordt nog dit jaar € 649 miljoen vrijgemaakt, in totaal € 250 miljoen meer dan eerder was begroot. Hiervan gaat € 110 miljoen naar de opvang van vluchtelingen in de eigen regio. In totaal gaat er € 9,9 miljard naar Veiligheid en Justitie.

Infrastructuur en Milieu
Voor het tegengaan van klimaatverandering en verduurzaming van de economie zal Nederland zich inzetten op een aanzienlijke vermindering van de uitstoot van schadelijke stoffen ten opzichte van het niveau van 1990. Bedrijven zullen profiteren van fiscale aantrekkelijkheden wanneer zij investeren in milieuvriendelijke technieken. De milieu-investeringsaftrek en willekeurige afschrijving milieu-investeringen worden in 2016 en 2017 met € 6 miljoen verhoogd en structureel aangevuld met € 8 miljoen.

De waterveiligheid heeft een hoge prioriteit, omdat ons land voor een groot deel onder zeespiegel ligt. Dijken en duingebieden zullen worden verstevigd op een innovatieve manier en eerder dit jaar is al besloten om minder gas te winnen in Groningen vanwege de aardbevingen. In totaal gaat er € 8,1 miljard naar Infrastructuur en Milieu.

Defensie
Er gaat volgend jaar meer geld naar Defensie. Het gaat hierbij om een stijging van € 220 miljoen. Dit loopt op tot € 345 miljoen in 2020. Hiermee investeert het kabinet in het versterken van de basisgereedheid en inzetbaarheid van de krijgsmacht, maar ook voor extra materieel ten gunste van de slagkracht en wordt de internationale samenwerking verder verdiept. Bovendien ontvangt Defensie tot en met 2020 ook € 60 miljoen per jaar voor crisisbeheersingsoperaties.

Tegen de dreiging van radicalisering en terroristische aanslagen in Europa zal er structureel extra geld gereserveerd worden om de operationele taak van veiligheidsdiensten, het verzamelen en analyseren van informatie en het preventiebeleid te versterken. In totaal zal er € 7,5 miljard uitgegeven worden aan Defensie.

Wij nemen graag contact met u op!

Top