17 september 2015 (bron Aegon Adfis)
Volgens de wet wordt bij afkoop van een lijfrente de afkoopsom ten minste gesteld op de betaalde inleg of premies. Bij tegenvallende beleggingsresultaten werkt deze minimumwaarderingsregel slecht uit. Daarom zet de staatssecretaris deze regel opzij.

Minimumwaarderingsregel

De waarde van lijfrentevoorzieningen die nog niet in de uitkeringsfase zijn worden volgens de minimumwaarderingsregel ten minste gesteld op de betaalde premie of inleg. Soms mag bij afkoop van de lijfrente de saldomethode toegepast. Dan wordt rekening gehouden met niet-afgetrokken premie of inleg. Daarnaast moet de belastingplichtige revisierente betalen over de waarde in het economische verkeer van de lijfrente.
De toepassing van de minimumwaarderingsregel bij afkoop van een lijfrente kan er toe leiden dat een belastingplichtige meer belasting is verschuldigd dan het bedrag van de afkoopsom van de lijfrente. Bijvoorbeeld als door beleggingsverliezen de waarde van de lijfrente lager is dan de betaalde en afgetrokken premies of inleg. Dat is niet de bedoeling.
Bovendien is door gewijzigde regelgeving oneigenlijk gebruik (boxarbitrage) niet meer mogelijk. Een lijfrente die voldoet aan de wettelijke voorwaarde voor premieaftrek valt voortaan altijd in box 1, ongeacht of de premies hiervoor in aftrek zijn gebracht. De hiervoor in het leven geroepen minimumwaarderingsregel is derhalve niet meer nodig.


Goedkeuring

Vooruitlopend op een wetswijziging keurt de staatssecretaris goed dat de minimumwaarderingsregel niet van toepassing is bij afkoop van een lijfrente of periodieke uitkering. In dat geval is de afkoopwaarde gelijk aan de waarde in het economische verkeer. Belastingplichtigen die al een definitieve aanslag hebben gekregen over het jaar waarin de afkoop heeft plaatsgevonden, kunnen aan de inspecteur een ambtshalve vermindering vragen.

Wij nemen graag contact met u op!

Top